Schatkamer

Het Streekarchief beheert het cultureel erfgoed van Voorne-Putten: een unieke collectie van middeleeuwse oorkonden, foto’s, kaarten en documenten die het verhaal van deze regio vertelt.

  

Polder Oudenhoorn

Schatkamer
29 JUN 2017
Polder Oudenhoorn
Het is dit jaar precies 650 jaar geleden dat er een stuk gors ter bedijking werd uitgegeven dat bekend zou komen te staan als de polder Oudenhoorn. In tegenstelling tot de uitgebreide viering tijdens het 600-jarig jubileum in 1955 is er dit jaar nog nauwelijks aandacht geweest voor het historische feit.

Het grote stuk gors waar Oudenhoorn deel van uitmaakte heette de Oosthoek en dit was eigendom van Machteld, vrouwe van Voorne. Zij had een stuk van dit gors in 1348 in leen uitgegeven aan Hugeman van Borselen, zodat zijn familie een deel van de inkomsten kon innen. Het gors was namelijk begroeid met riet, biezen, griend, bomen en gras en dat kon tegen een goede prijs worden verhandeld. Daarnaast werd het veen afgegraven om hieruit zout te winnen en het gebied was zeer geschikt om schapen te weiden. Kortom, het gors bracht al redelijk wat inkomsten op.

Omstreeks 1350 was het gors door de overstromingen zodanig opgeslibt dat het land hoog genoeg lag om te worden bedijkt. De overmoedige Floris van Borselen gaf dan ook aan verschillende belanghebbenden toestemming tot die bedijking, maar daarmee ging hij buiten zijn boekje. Dergelijke beslissingen mochten namelijk alleen door de Vrouwe van Voorne worden genomen, want haar status was nu eenmaal hoger. Of het van harte ging weten we niet, maar uiteindelijk bevestigde ze de toestemming van Floris op 21 februari 1355: ,,Wij Magtelt Vrouwe van Valckenburg en van Voorne, Burggravinne van Zeeland'', bekrachtigde dat ,,Ick Floris van Borselen, ridder, uijtgegeven hebbe om te dijcken tot een korenlande den Hoorn ende den Ruygendijck mit allen haren toebehoren.''
 

Het betekende dat er in totaal zo'n elf kilometer dijk kon worden aangelegd om het stuk land tegen verdere overstromingen te behoeden. Het dorp Oudenhoorn ontstond vervolgens op een hoge plek midden in de polder. Dat is vrij bijzonder, want vrijwel alle dorpen op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden werden op of aan een dijk aangelegd. De kerk vormde het middelpunt van de kleine samenleving die met landbouw en veeteelt in haar levensonderhoud voorzag.

Het gevaar voor dijkdoorbraken werd in de daaropvolgende eeuw iets kleiner door de aanleg van de naastgelegen polders Nieuwenhoorn (1367) en Zuidland (1415). De ruim 2,5 kilometer lange Zeedijk langs het Haringvliet leverde echter voor de bewoners van de polder nog altijd grote zorgen en hoge kosten op. Aanvankelijk beschermde een brede strook onbedijkt gorsland tegen de ergste golfslag, maar na verloop van twee eeuwen was deze strook vrijwel helemaal weggeslagen en werd de Zeedijk een kwestbaar punt in de verdediginglinie tegen het water. De onderhoudskosten rezen de pan uit en de Staten van Holland moesten meer dan eens de belastingschulden van de armlastige Oudenhoornaars kwijtschelden. In 1630 werd de Generale Dijkage (later het Hoogheemraadschap van Voorne) opgericht en vanaf dit moment betaalden de meeste andere polders op Voorne mee aan het onderhoud van de Zeedijk. Maar ook voor het Hoogheemraadschap werd het onderhoud uiteindelijk te duur, zodat na 1807 de staat zorg droeg voor de Zeedijk. Alle inspanningen wierpen wel hun vruchten af, want het was pas tijdens de Watersnoodramp van 1953 dat de Oudenhoornse Zeedijk voor het eerst doorbrak.
Pagina terug
Zoeken in collecties